Home | Personen in de Bijbel | David | David (2)
David (1)

IsraŽl vraagt om een koning
David was de zoon van IsaÔ. IsaÔ had acht zonen, van wie David de jongste was. David was schaapherder. Hij zou later de tweede koning van IsraŽl worden. Maar daar ging nog wel een geschiedenis aan vooraf. Aanvankelijk was God Zelf de koning van IsraŽl. Maar het volk wilde een koning om ons te besturen, zoals alle andere volken er een hebben (1 SamuŽl 8: 5*). Toen zei de Heer tegen SamuŽl, de profeet: Geef gehoor aan de stem van het volk, aan alles wat ze je vragen. Jou verwerpen ze niet. Ze verwerpen juist Mij als hun koning (vs 7). Toch ging God accoord met de wens van IsraŽl om een aardse koning te hebben.
(*: Het bijbelboek SamuŽl is in het vervolg steeds afgekort tot S.).

Saul de eerste koning
Nadat de profeet SamuŽl het volk in opdracht van God had gewezen op de rechten en plichten, die een aardse koning met zich mee zou brengen, werd Saul door God als koning aangewezen en door SamuŽl tot koning gezalfd. Al gauw overtrad Saul de geboden van de Heer (1 S. 13: 13 en 15: 11). Dat leidde ertoe dat God Saul als koning verwierp. 1 S. 13: 13,14: (SamuŽl vroeg aan Saul:) Hoe hebt u zo dom kunnen doen? Waarom hebt u zich niet gehouden aan het gebod dat de Heer, uw God, u heeft opgelegd? Dan had de Heer uw koningschap over IsraŽl nu voor altijd bestendigd. Maar nu zal uw koningschap niet standhouden. De Heer zal een man naar zijn hart zoeken en hťm aanstellen tot vorst over Zijn volk, want u hebt u niet gehouden aan wat de Heer u bevolen heeft. Die man naar Gods hart zou David zijn.

God kiest voor David
1 S. 16: 1: De Heer vroeg aan SamuŽl: ĎHoe lang blijf je nog treuren om Saul, die ik als koning van IsraŽl verworpen heb? Kom, vul je hoorn met olie en ga voor mij naar IsaÔ in Betlehem, want een van zijn zonen heb ik als koning uitgekozen'. Vs 12, 13: IsaÔ liet hem (David) halen. Het was een knappe jongen met rossig haar en sprekende ogen. En de Heer zei: ĎHem moet je zalven. Hij is het'. SamuŽl nam de hoorn met olie en zalfde hem te midden van zijn broers. Van toen af aan was David doordrongen van de Geest van de Heer.

David en Goliat
We leren David het beste kennen uit de geschiedenis van David en Goliat. 1 S. 17: 1-7: De Filistijnen bereidden opnieuw een oorlog voor. Ze verzamelden zich in Socho in Juda en sloegen hun kamp op in Efes-Dammim, tussen Socho en Azeka. Saul riep het leger van IsraŽl op en sloeg zijn kamp op in de Terebintenvallei. Daar stelden ze zich op tegenover de Filistijnen: op de ene helling stonden de Filistijnen en op de andere de IsraŽlieten; het dal lag tussen hen in. Uit de gelederen van de Filistijnen trad een kampvechter naar voren, een zekere Goliat uit Gat, een man van ruim zes el lang (ruim drie meter!). Hij had een bronzen helm op zijn hoofd en droeg een bronzen schubbenpantser dat wel vijfduizend sjekel (ongeveer 40 kilo!) woog. Ook zijn scheenplaten waren van brons, evenals het kromzwaard dat over zijn schouder hing. De schacht van zijn lans was zo dik als de boom van een weefgetouw en de punt was gemaakt van zeshonderd sjekel ijzer. Een schildknecht ging voor hem uit.

Niemand van het IsraŽlische leger durfde deze reus aan te vallen. Saul en zijn leger stonden verlamd van schrik (vs 11). Op zekere dag kwam David in het legerkamp om zijn broers, die ook in het leger waren, eten te brengen. David vroeg aan de soldaten, wat gebeurt er met degene die deze Filistijn verslaat en IsraŽl van deze schande bevrijdt? Zij antwoordden hem: Wie hem verslaat, zal door de koning met rijkdommen worden overladen. Bovendien krijgt hij de koningsdochter tot vrouw en wordt zijn familie vrijgesteld van schatting en herendienst (vs 24-27). David vroeg Saul om toestemming, om de strijd met Goliat aan te gaan en zegt: De Heer, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn (vs 37).

Het gevecht
1 S. 17: 40: Hij (David) pakte zijn stok, zocht vijf ronde stenen uit de rivierbedding en stopte die in zijn herderstas. Toen liep hij op de Filistijn af, zijn slinger in de hand. Vs 45-51: ĎJij daagt me uit met je zwaard en je lans en je kromzwaard,í antwoordde David, Ďmaar ik daag jou uit in de naam van de Heer van de hemelse machten, de God van de gelederen van IsraŽl, die jij hebt beschimpt. Maar vandaag zal de Heer je aan mij uitleveren: ik zal je verslaan en je hoofd afhouwen, en ik zal de lijken van de Filistijnen aan de aasgieren en de hyenaís ten prooi geven, zodat de hele wereld weet dat IsraŽl een God heeft. Dan zal iedereen hier beseffen dat de Heer geen zwaard of lans nodig heeft om te overwinnen, want Hij is degene die de uitslag van de strijd bepaalt en Hij zal jullie aan ons uitleverení.

Toen kwam de Filistijn op David af en wilde tot de aanval overgaan, maar David was hem te snel af. Hij rende hem tegemoet, stak zijn hand in zijn tas en haalde er een steen uit, slingerde die weg en trof de Filistijn zo hard tegen het voorhoofd dat de steen naar binnen drong en de Filistijn voorover stortte. Zo overwon David de Filistijn met een slinger en een steen; hij trof hem dodelijk zonder dat hij daar een zwaard bij nodig had. Hij rende naar de Filistijn toe, boog zich over hem heen en trok diens zwaard uit de schede. Daarmee gaf hij hem de genadestoot en sloeg hem zijn hoofd af. Toen de Filistijnen zagen dat hun held dood was, sloegen ze op de vlucht.

De eer van God
Zoals al gezegd was David een dappere jongen. Een tengere herdersjongen voor wie de legeruitrusting te zwaar was om te dragen (vs. 39). Hij nam het, zonder deze uitrusting, op tegen een ďgepanserde reusĒ. Niemand uit het leger van IsraŽl had deze moed. David wist wat de beloning was, als hij deze tweekamp zou overleven en winnen: rijkdommen, trouwen met de koningsdochter, en de familie zou worden vrijgesteld van schatting en herendienst, (vs. 25). Dat was geen geringe beloning: de winnaar zou voor altijd verzekerd zijn van geld en status. Geld en status, daar streven veel mensen naar. Ging het daarom bij David?

Het antwoord is: nee. Er was nog een hoger doel. 1 S. 17: 26: David vroeg aan de soldaten die in zijn buurt stonden: ĎWat gebeurt er met degene die die Filistijn daar verslaat en IsraŽl van deze schande bevrijdt? Wat denkt die onbesneden Filistijn wel, dat hij de gelederen van de levende God durft te beschimpen!' Wat was die schande? Populair gezegd, hij maakte het leger van IsraŽl belachelijk en beledigde daar God Zelf mee. Dat is wat David onaanvaardbaar vond. David wilde de eer van God veilig stellen. Hij was er ook van overtuigd dat God hem daarom zou helpen. Hij zegt: De Heer, die me gered heeft uit de klauwen van leeuwen en beren, zal me ook redden uit de handen van deze Filistijn (vs 37). En hij zegt dan ook tegen Goliat: Ďik daag jou uit in de naam van de Heer van de hemelse machten, de God van de gelederen van IsraŽl, die jij hebt beschimpt' (vs 45).

Leven dicht bij God
De moed van David kwam voort uit zijn vertrouwen op de God van IsraŽl en zijn ijver voor de Naam van de Heer. Als christen vertrouw je op God, maar zou elk christen tot zoín heldhaftige daad bereid zijn? Ik denk het niet. God Zelf moet David in het hart gelegd hebben om deze strijd aan te gaan, met de zekerheid van de overwinning in het vooruitzicht. Om dat te bereiken had David naast vertrouwen en moed nog iets anders nodig: dicht bij God leven. Uit zijn geschiedenis weten we dat hij dat ook deed. Hoe dichter je bij God leeft, hoe beter je begrijpt wat God van je vraagt. Johannes 15: 7,8: (Jezus zegt:) Als jullie in Mij blijven en Mijn woorden in jullie, kun je vragen wat je wilt en het zal gebeuren. De grootheid van Mijn Vader zal zichtbaar worden wanneer jullie veel vrucht dragen en mijn leerlingen zijn.

Zo leefde David dicht bij God en werd hij vervolgens door de Heer gezegend. Dat bleek later steeds weer tijdens de veldtochten die David ondernam in opdracht van Saul. De Heer stond David bij in alles wat hij ondernam (2 S. 8: 14). Aanvankelijk was Saul ook opgetogen over het succes van David. Na de overwinning op Goliat nam Saul David in dienst. 1 S. 18: 2: Saul nam David vanaf die dag bij zich en liet hem niet meer teruggaan naar zijn ouderlijk huis. Vs 5: Alle veldtochten die David in opdracht van Saul ondernam, bracht hij tot een goed einde. Daarom benoemde Saul hem tot legeraanvoerder, met instemming van de soldaten en ook van de hovelingen.

Saul versus David
De verhouding tussen Saul en David verslechterde al snel. 1 S. 18: 6-9: Bij de intocht van het leger, toen David terugkeerde van zijn overwinning op de Filistijn, liepen in alle steden van IsraŽl de vrouwen zingend en dansend uit om koning Saul feestelijk in te halen met muziek van tamboerijnen en rinkelbellen. Opgetogen zongen ze: ĎSaul versloeg ze bij duizenden, David bij tienduizenden.í Saul ergerde zich aan dit lied en werd woedend: ĎDavid geven ze er tienduizenden en mij maar duizenden. Nog even en ze geven hem het koningschap!í Vanaf die dag begon Saul David te wantrouwen. Dat wantrouwen werd algauw omgezet in blinde haat. 1 S. 18: 10-12: De volgende dag werd Saul opnieuw overmand door een kwade geest van God. Hij liep als een razende door het huis, met zijn speer in de hand, terwijl David zoals gewoonlijk op de lier tokkelde. ĎIk spies die jongen aan de wand!í riep Saul uit. Hij wierp zijn speer, maar David kon hem tot tweemaal toe ontwijken. Toen begon Saul bang te worden voor David, omdat hij merkte dat de Heer hem verlaten had en David bijstond.

Is jaloersheid niet gewoon een menselijke eigenschap? Niet goed, maar begrijpelijk? Uit dit verhaal blijkt echter dat God Zelf hier de hand in had. Saul werd opnieuw overmand door een kwade Geest van God. Twee hoofdstukken eerder konden we lezen (1 S. 16: 15): De Geest van de Heer had Saul verlaten; in plaats daarvan stuurde de Heer hem een kwade geest, die hem kwelde. Waarom had de Geest van de Heer Saul verlaten? Omdat Hij ongehoorzaam was en deed wat hijzelf wilde. De profeet SamuŽl had al eerder tegen Saul gezegd (1 S. 15: 23): U hebt de opdracht van de Heer verworpen; daarom verwerpt Hij u als koning! God was bezig Zijn oordeel te voltrekken over Saul, die zich van God had losgemaakt. Saul leefde niet meer in afhankelijkheid van de Heer. Daardoor kreeg de jaloersheid ruim baan, en ging het met Saul van kwaad tot erger. Het leidde ertoe dat Saul twee moordaanslagen pleegde op David (1 S. 18: 11). De Heer stond David echter bij en redde hem.

God en het kwaad
God stuurde een kwade geest, ligt dat wel in de aard van God? Wij verwachten van God toch alleen goede dingen, zoals vrede en liefde? God doet echter Zelf ook alles om Zijn grote naam te bevestigen, Zijn plannen uit te voeren en Zijn kinderen te helpen. Denk maar aan de farao in Egypte. God strafte de farao en de Egyptenaren met vreselijke plagen omdat de farao de IsraŽlieten niet wilde laten gaan. God verhardde Zelf het hart van de farao, zodat deze bleef weigeren. Exodus 11: 9, 10: De Heer had tegen Mozes gezegd: ĎDe farao zal niet naar jullie luisteren. Zo kan ik des te meer wonderen in Egypte laten gebeuren.í Al deze wonderen hadden Mozes en Ašron daarna in het bijzijn van de farao verricht, en de Heer had ervoor gezorgd dat de farao hardnekkig bleef weigeren de IsraŽlieten uit zijn land weg te laten gaan.

Farao was niet van plan om het volk te laten gaan, en net als bij Saul voltrok God een oordeel over de farao door hem in het kwaad te bevestigen. En daarnaast gaf God de volgende verklaring voor Zijn behandeling van farao: Ik zal ervoor zorgen dat hij onverzettelijk blijft, zodat hij jullie achtervolgt, en dan zal Ik Mijn majesteit tonen door de farao en zijn hele leger ten val te brengen. Dan zullen de Egyptenaren beseffen dat Ik de Heer ben (Exodus 14: 4). Een duidelijke verklaring vinden we ook in Romeinen 9: 22, 23: God heeft degenen die het voorwerp van Zijn toorn zijn en die Hij heeft bestemd voor de ondergang, met veel geduld verdragen omdat Hij Zijn toorn ook wil tonen en Zijn macht kenbaar wil maken. En omdat Hij Zijn overweldigende majesteit wil tonen, heeft Hij degenen die het voorwerp zijn van Zijn barmhartigheid ertoe voorbestemd om in Zijn majesteit te delen.

Het vervolg staat op de pagina David (2).
| Sites | Verantwoording | Sitemap |