Home | Personen in de Bijbel | David | David (3)
David (2)

David wordt de schoonzoon van Saul
Ondanks de wanverhouding tussen koning Saul en David, wordt David de schoonzoon van Saul. Voor het zover was gebeurde er het nodige. Want Saul wilde eigenlijk maar ťťn ding: dat David zou sneuvelen. Saul en David spraken nauwelijks met elkaar, de communicatie verliep gaandeweg via de hovelingen van Saul, en dit ging alsvolgt (zie 1 S. 18):

Tekst Wie er spreekt Wat er gebeurt / wordt gezegd
vs 17 Saul: ĎHier is mijn oudste dochter Merab. Ik bied je haar als vrouw aan, op voorwaarde dat je in mijn dienst je heldhaftigheid blijft tonen en voor de Heer ten strijde trektí Ė want hij dacht bij zichzelf: Ik hoef hem niet zelf om het leven te brengen, laten de Filistijnen dat maar doen.
vs 18 David: Wie ben ik en wat heeft mijn familie, de verwanten van mijn vader, in IsraŽl te betekenen, dat ik een schoonzoon van de koning mag worden?
vs 19,20 Ondertussen: Toen de dag was aangebroken dat Merab, de dochter van Saul, met David in het huwelijk zou treden, werd ze uitgehuwelijkt aan AdriŽl uit Mechola. Ondertussen was Sauls dochter Michal op David verliefd geworden. Saul hoorde hiervan en het kwam hem goed uit.
vs 21 Saul: Ik bied hem Michal als vrouw aan, dacht hij. Als hij zich door dat aanbod laat verlokken, kunnen de Filistijnen hem om het leven brengen. Tegen David zei hij: ĎJe kunt alsnog mijn schoonzoon worden, door met mijn tweede dochter te trouwen.í
vs 22 Saul: En hij droeg zijn hovelingen op: ĎGaan jullie eens met David praten en zeg hem dan: Zie je wel dat de koning op je gesteld is? En al zijn dienaren mogen je graag. Grijp dus je kans om de schoonzoon van de koning te worden.í
vs 23 David: Jullie denken zeker dat het zo eenvoudig is om schoonzoon van de koning te worden. Ik ben anders maar een arm en eenvoudig man.
vs 25a Saul: Zeg tegen David dat de koning niet aan een bruidsprijs hecht en dat hij genoegen neemt met de voorhuiden van honderd Filistijnen, als wraak op zijn vijanden.
vs 25b Ondertussen: Het was zijn (Sauls) bedoeling dat David op die manier zou sneuvelen in de strijd tegen de Filistijnen.
vs 26a David: De hovelingen brachten Sauls woorden aan David over, en die stemde er toen mee in om schoonzoon van de koning te worden.
vs 26b,27 Ondertussen: Nog binnen de termijn voldeed hij (David) aan de gestelde voorwaarde. Hij rukte met zijn troepen uit en doodde tweehonderd Filistijnen. Hun voorhuiden nam hij mee om ze aan de koning af te dragen. Het waren er meer dan genoeg om de hand van de koningsdochter te verwerven, en Saul gaf hem zijn dochter Michal tot vrouw.

David blijft Saul respecteren als koning
Terwijl Saul maar ťťn ding wilde, Davids dood, was er van wraakzuchtige gedachten bij David niets te bespeuren, integendeel. Wie ben ik (.....) dat ik een schoonzoon van de koning mag worden? (vs 18). En verder: Jullie denken zeker dat het zo eenvoudig is om schoonzoon van de koning te worden. Ik ben anders maar een arm en eenvoudig man. (vs 23). De houding van Saul typeert hem als iemand die ver bij de Heer vandaan leefde, de houding van David typeert hem als iemand die juist dicht bij de Heer leefde.

David vlucht, Sauls dood
Je zou verwachten dat Saul zich naar David toe zou inhouden, nu hij zijn schoonzoon was geworden. Niets is minder waar, Saul bleef zoeken naar mogelijkheden om David te doden. De hoofdstukken 19 en 20 van 1 S. doen hiervan uitgebreid verslag. Ook de hulp van Jonathan, de zoon van Saul en tevens de vriend van David, mocht hierbij niet baten. Uiteindelijk vlucht David weg. Dan zorgt God ervoor, dat Saul David niet alsnog te pakken krijgt. Het is David die tot twee keer toe de kans krijgt om Saul te doden, maar dit niet doet (hfst. 24 resp. 26). Uiteindelijk sterven Saul en Jonathan in de strijd tegen de Filistijnen (hfst. 31).

Ook in dit sterven van Saul had God de regie in handen. 1 Kronieken 10: 13,14: Saul vond de dood omdat hij de Heer ontrouw was geweest door niet uit te voeren wat de Heer hem had opgedragen. Ook had hij de geest van een dode geraadpleegd in plaats van de Heer om raad te vragen. Daarom had de Heer hem gedood en het koningschap laten overgaan op David, de zoon van IsaÔ.

David tot koning gezalfd
En toen was het eindelijk zover: David, de herdersjongen van weleer, werd tot koning gezalfd. Dit gebeurde eigenlijk in twee fasen. Eerst werd hij koning over Juda. David ging naar Juda, nadat hij God had geraadpleegd. 2 S: 2: 1: Enige tijd later wendde David zich tot de Heer en vroeg: ĎZal ik naar Juda gaan?í ĎGoed,í antwoordde de Heer. ĎNaar welke stad zal ik gaan?í vroeg David, en de Heer antwoordde: ĎNaar Hebron.í 2 S. 2: 4: De JudeeŽrs kwamen naar Hebron en zalfden David tot koning van Juda. In IsraŽl was Isboset, de zoon van Saul, tot koning uitgeroepen. Isboset zelf werd later door volgelingen van zijn vader Saul vermoord.

2 S. 5: 1-5: Alle stammen van IsraŽl kwamen bij David in Hebron en zeiden tegen hem: ĎHier zijn we, uw eigen vlees en bloed. Ook vroeger al, toen Saul nog over ons regeerde, was u degene die de troepen van IsraŽl aanvoerde. De Heer heeft u beloofd: Jij zult Mijn volk IsraŽl weiden; jij zult vorst over IsraŽl zijn.í De oudsten van IsraŽl kwamen bij de koning in Hebron. Daar sloot koning David ten overstaan van de Heer een verdrag met hen, en zij zalfden hem tot koning van IsraŽl. David was dertig jaar toen hij koning werd en hij regeerde veertig jaar: vanuit Hebron regeerde hij zeven jaar en zes maanden over Juda en vanuit Jeruzalem regeerde hij drieŽndertig jaar over heel IsraŽl en Juda. Door de overwinningen over de omliggende volkeren werd David de machtigste koning in het gehele Midden Oosten (2 S. 8).

Veertig jaar
Het getal veertig is een belangrijk en veelvoorkomend getal in de Bijbel. Enkele voorbeelden. God liet het veertig dagen en veertig nachten op aarde regenen (Genesis 7: 4). Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes op de berg bij de Heer (Exodus 34: 28). De Heer liet de IsraŽlieten veertig jaar in de woestijn rondzwerven (Numeri 32: 13). Jezus zwierf veertig dagen rond in de woestijn (Lucas 4: 1). Het getal veertig laat zien dat God hier op aarde Zijn geschiedenis schrijft. Voor de regeerperiode van David betekende dit wat staat in 1 Kronieken 17: 7: Welnu, zeg tegen Mijn dienaar, tegen David: Dit zegt de Heer van de hemelse machten: Ik heb je achter de kudde vandaan gehaald om mijn volk IsraŽl te leiden.

Beloften aan David
Toen het koningschap van David in rustiger vaarwater kwam deelde hij de profeet Natan mee dat hij voor de Heer een huis wilde bouwen. Maar de Heer liet David via Natan weten: 'Wil jij voor Mij een huis bouwen om in te wonen? Ik heb toch nooit in een huis gewoond, vanaf de dag dat Ik de IsraŽlieten uit Egypte heb geleid tot nu toe! Al die tijd trok Ik rond in tent en tabernakel. Overal heb Ik met de IsraŽlieten rondgetrokken, en heb Ik ooit aan een van de herders van IsraŽl, die Ik had aangesteld om Mijn volk te weiden, gevraagd om voor Mij een huis van cederhout te bouwen?' (2 S. 7: 5-7). En verder sprak de Heer via Natan: 'De Heer zegt je dat Hij voor jůu een huis zal bouwen: Wanneer je leven voorbij is en je bij je voorouders te ruste gaat, zal Ik je laten opvolgen door je eigen zoon en hem een bestendig koningschap schenken' (vs. 11,12).

David zou geen huis bouwen voor de Heer, maar de Heer zou voor David een huis (bestendig koningschap) bouwen. Dat is een verrassende wending! Maar de zoon van David zou wel een huis voor de Heer mogen bouwen (2 S.7: 13). En wat het bestendig koningschap betreft: Ik zal ervoor zorgen dat zijn troon nooit wankelt. Ik zal een Vader voor hem zijn en hij voor Mij een zoon: als hij zondigt, zal Ik hem kastijden met stok- en zweepslagen, zoals een vader doet, maar hij zal nooit bij Mij uit de gunst raken zoals Saul, die Ik verstootte omwille van jou. Jou stel Ik in het vooruitzicht dat je koningshuis eeuwig zal voortbestaan en je troon nooit zal wankelen (2S.7: 13-16).

Dat is een opmerkelijke Godsspraak: David zou nooit uit de gunst van God raken, zelfs niet als hij zou zondigen (en dat zou hij doen, zie het vervolg). Dat is ook voor ons een troostrijke boodschap. Het is erg om te zondigen, maar daarom laat God ons nog niet vallen. Zolang we het tenminste van Hem blijven verwachten (zoals David deed) en wij Hem niet de rug toekeren (zoals Saul deed).

Het vervolg staat op de pagina David (3).
| Sites | Verantwoording | Sitemap |