Home | Personen in de Bijbel | David
David (4)

Davidís einde in zicht
David werd opgevolgd door zijn zoon Salomo. 1 Koningen 2: 1-4: Toen David zijn einde voelde naderen, droeg hij zijn zoon Salomo op: ĎIk moet nu heengaan, net als iedereen. Wees sterk en laat zien dat je een man bent. Houd je aan je verplichtingen tegenover de Heer, je God: gehoorzaam Hem en neem Zijn bepalingen, geboden, rechtsregels en voorschriften in acht, zoals die zijn vastgelegd in de wetten van Mozes. Dan zul je slagen in alles wat je doet en onderneemt, en dan zal de Heer zijn woord aan mij gestand doen: Als je zonen het rechte pad houden en Mij met hart en ziel toegewijd blijven, dan zal er altijd een van jouw nakomelingen op de troon van IsraŽl zitten'.

Gods beloften blijven
Salomo zou een huis voor de Heer bouwen. 1 Kronieken 22: 6-10: David riep zijn zoon Salomo bij zich en droeg hem op een tempel te bouwen voor de Heer, de God van IsraŽl. Hij zei hem: ĎIk had graag zelf een tempel gebouwd voor de naam van de Heer, mijn God. Maar de Heer heeft zich tot mij gericht met de woorden: Jij hebt ten overstaan van Mij veel bloed vergoten en grote oorlogen gevoerd. Daarom zul jij geen huis bouwen voor Mijn naam, je hebt te veel bloed vergoten. Maar je zult een zoon krijgen. Hij zal een man van vrede zijn, want Ik zal hem rust geven door hem van al zijn vijanden te verlossen. Salomo zal hij daarom heten; tijdens zijn bewind zal Ik IsraŽl rust en vrede schenken. Hij zal een huis bouwen voor Mijn naam. Hij zal voor Mij een zoon zijn en Ik voor hem een Vader, en Ik zal ervoor zorgen dat zijn troon in IsraŽl niet zal wankelen.' De naam Salomo betekent: brenger van vrede.

Maar er kwamen na Salomo ook goddeloze koningen op de troon van David. Zoals Joram, de koning van Juda (het rijk was toen gesplitst in het tien-stammenrijk IsraŽl en het twee-stammenrijk Juda). 2 Kronieken 21: 6b, 7: Hij (Joram) deed wat slecht is in de ogen van de Heer, maar toch wilde de Heer het koningshuis van David niet vernietigen, omwille van het verbond dat Hij met David had gesloten, aan wie Hij had beloofd dat Hij het licht van zijn koningshuis voor altijd zou laten branden.

IsraŽl in en uit ballingschap
Toen Jeruzalem ingenomen werd door koning Nebukadnessar van Babel en het volk IsraŽl weggevoerd werd naar Babel, leek er toch een einde te komen aan het koningshuis van David. Maar na zeventig jaar ballingschap gebeurde het volgende. Ezra 1: 1-3: In het eerste regeringsjaar van Cyrus (ook wel Kores genoemd), de koning van PerziŽ, ging in vervulling wat de Heer Jeremia had laten aankondigen. Hij zette de koning ertoe aan om in zijn hele koninkrijk mondeling en ook schriftelijk het volgende besluit bekend te laten maken: ĎDit zegt Cyrus, de koning van PerziŽ: Alle koninkrijken van de aarde heeft de Heer, de God van de hemel, mij gegeven. Hij heeft mij opgedragen om voor Hem een tempel te bouwen in Jeruzalem, een stad in Juda. Laten al diegenen onder u die tot Zijn volk behoren, zich met de hulp van hun God naar Jeruzalem in Juda begeven om er de tempel van de Heer weer op te bouwen, de God van IsraŽl, de God die in Jeruzalem woontí.

Alweer David?
EzechiŽl profeteerde ten tijde van de ballingschap ondermeer het volgende. EzechiŽl 34: 23, 24: Ik zal een andere herder over ze aanstellen, een die ze wťl zal weiden: David, mijn dienaar. Hij zal ze weiden, hij zal hun herder zijn. Ik, de Heer, zal hun God zijn, en mijn dienaar David hun vorst. David? Maar die was toch al lang overleden? Inderdaad, deze profetieŽn van EzechiŽl verwijzen naar de grote Zoon van David: Jezus Christus, die Koning zal zijn op de troon van David en Herder over Zijn volk.

Zelfs al ver voor de ballingschap profeteerde Jeremia: De dag zal komen Ė spreekt de Heer Ė dat Ik de belofte die Ik het volk van IsraŽl en Juda heb gedaan, gestand zal doen. Op die dag, in die tijd, zal Ik aan Davids stam een rechtmatige telg laten ontspruiten, die recht en gerechtigheid in het land zal handhaven. Dan wordt Juda verlost en de inwoners van Jeruzalem zullen in vrede leven. En de naam van de stad zal zijn ĎDe Heer is onze gerechtigheidí. Want dit zegt de Heer: Er zal altijd een nakomeling van David op de troon van IsraŽl zitten (Jeremia 33: 14-17).

En wat God beloofd heeft...
Op de Pinksterdag was het de apostel Petrus die uitlegde hoe de opgestane Heiland de vervulling is van Gods beloften. Ook David zelf profeteerde al van de komst van de Messias. Petrus zei hierover: Broeders en zusters, u zult mij wel toestaan dat ik over de aartsvader David zeg dat hij gestorven en begraven is; zijn graf bevindt zich immers nog steeds hier. Maar omdat hij een profeet was en wist dat God hem onder ede beloofd had dat een van zijn nakomelingen zijn troon zou bestijgen, heeft hij de opstanding van de Messias voorzien en gezegd dat Deze niet aan het dodenrijk zou worden overgeleverd en dat Zijn lichaam niet tot ontbinding zou overgaan. Jezus is door God tot leven gewekt, daarvan getuigen wij allen (Handelingen 2: 29-32). En nog eens in Handelingen 2 : 36: Laat het hele volk van IsraŽl er daarom zeker van zijn dat Jezus, die u gekruisigd hebt, door God tot Heer en Messias is aangesteld.

David en de Psalmen
David heeft veel Psalmen gemaakt. In deze Psalmen herkennen wij David met zijn vreugde en verdriet. Zo schreef hij Psalm 51 naar aanleiding van zijn zonde met Batseba. Psalm 51: 3-4: Wees mij genadig, God, in Uw trouw, U bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet, was mij schoon van alle schuld, reinig mij van mijn zonden. Psalm 110 is een profetie van David over de komende heerschappij van Gods Zoon Jezus Christus: De Heer spreekt tot mijn Heer: ĎNeem plaats aan Mijn rechterhand, Ik maak van je vijanden een bank voor je voetení (Psalm 110 : 1). De Heer (God) spreekt tot mijn Heer (Jezus). Hier noemt David Jezus zijn Heer. Jezus is dus zowel Davids (verre) Zoon, als zijn Heer.

Jezus kwam hier later zelf op terug: Nu de farizeeŽn om Hem heen stonden, stelde Jezus hun deze vraag: ĎWat denkt u over de Messias? Van wie is hij een Zoon?í ĎVan David,í antwoordden ze. Jezus vroeg: ĎHoe kan David Hem dan, geÔnspireerd door de Geest, Heer noemen? Want hij zegt: De Heer sprak tot mijn Heer: Neem plaats aan mijn rechterhand, tot ik je vijanden onder je voeten heb gelegd. Als David hem dus Heer noemt, hoe kan hij dan zijn zoon zijn?í En niemand was in staat Hem een antwoord te geven, noch durfde iemand Hem vanaf die dag nog een vraag te stellen (MatteŁs 22: 41-46). Prachtig om te zien hoe profetie en werkelijkheid elkaar naadloos opvolgen! En hoe blijkt hieruit weer de eenheid die uit het gehele Woord van God, de Bijbel, spreekt.

De meeste Psalmen zijn van de hand van David: gebeden, klaagliederen, pelgrimsliederen. Psalm 23 is een bekende psalm, hier volledig weergegeven:
  • Een psalm van David.
  • De Heer is mijn Herder, het ontbreekt mij aan niets.
  • Hij laat mij rusten in groene weiden en voert mij naar vredig water, Hij geeft mij nieuwe kracht en leidt mij langs veilige paden tot eer van Zijn naam.
  • Al gaat mijn weg door een donker dal, ik vrees geen gevaar, want U bent bij mij, Uw stok en Uw staf, zij geven mij moed.
  • U nodigt mij aan tafel voor het oog van de vijand, U zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over.
  • Geluk en genade volgen mij alle dagen van mijn leven, ik keer terug in het huis van de Heer tot in lengte van dagen.
Uit de stam van Juda
Zowel David als Jezus stamden af van Juda. David zegt in 1 Kronieken 28: 4: De Heer, de God van IsraŽl, heeft uit heel de familie van mijn vader juist mij gekozen om voor altijd koning van IsraŽl te zijn. Hij koos immers Juda als leider, en uit de stam Juda de familie van mijn vader, en uit de zonen van mijn vader verkoos Hij mij als koning van heel IsraŽl. In het boek Openbaring beschrijft Johannes het visioen dat hij daar kreeg. Daarin komt het volgende voor: Toen zei een van de oudsten tegen mij: ĎWees niet verdrietig. Want de Leeuw uit de stam Juda, de Telg van David, heeft de overwinning behaald, en daarom mag Hij de boekrol met de zeven zegels openení. Het gaat hier over Jezus Christus die de satan overwon aan het kruis.

David, een streepje voor?
Het is wel duidelijk dat David een prominente plaats heeft gekregen in de bijbelse geschiedenis. Wij denken vaak dat David wel een heel bijzonder iemand was met bijzonder talenten, niet zomaar een gewoon mens. Toch is dat niet het geval. David was een mens zoals wij, met al zijn menselijke tekortkomingen en zonden. Hij heeft echter een zwaar ambt moeten vervullen. God geeft ons allemaal een taak in dit leven, daarvoor heeft hij ons ook talenten gegeven, zoals geloven en bidden. Onze taken zijn echter minder opvallend. Wij hoeven de publiciteit niet te zoeken, want God ziet ons wel. En wij moeten open staan voor wat God wel en niet van ons vraagt. Uiteindelijk worden wij beoordeeld op ons geloof, zoals de schrijver van de HebreeŽnbrief optekende in HebreeŽn 11: 32,33: De tijd ontbreekt me om te vertellen over Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en SamuŽl, en over de profeten, die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden, en kregen wat hun beloofd was.

Evangelie in geslachtenlijsten
We hadden al gezien dat David van Juda afstamde. In de geslachtenlijst van Genesis 46 lezen we, vers: 12: Zonen van Juda: Er, Onan, Sela, Peres en Zerach. Er en Onan waren in Kanašn gestorven. Zonen van Peres: Chesron en Chamul. En in Ruth 4: 18-22: Dit zijn de nakomelingen van Peres: Peres verwekte Chesron, Chesron verwekte Ram, Ram verwekte Amminadab, Amminadab verwekte Nachson, Nachson verwekte Salmon, Salmon verwekte Boaz, Boaz verwekte Obed, Obed verwekte IsaÔ, en IsaÔ verwekte David.

Dan staat er een opvallende zinsnede in 1 Kronieken 2 : 4: Bij zijn schoondochter Tamar verwekte Juda Peres en Zerach. (Dit is een andere Tamar dan de halfzuster van Amnon, waarover in het voorafgaande werd verteld.) Over deze misstap van Juda is te lezen in Genesis 38. Zowel Juda als Tamar zondigden hier tegen Gods geboden. Over Juda had zijn vader Jacob een zegening uitgesproken voordat hij (Jacob) stierf: In Judaís handen zal de scepter (koningsstaf) blijven, tussen zijn voeten de heersersstaf, totdat Hij komt die er recht op heeft, Die alle volken zullen dienen (Genesis 49: 10). Hier wordt Juda al voorzegd dat hij een plaats zal ontvangen in de geslachtenlijst van Jezus Christus. Hier is voor Juda en Tamar van toepassing wat David schreef in Psalm 103 : 10: Hij straft ons niet naar onze zonden, Hij vergeldt ons niet naar onze schuld.

De geslachtenlijst zoals beschreven in MatteŁs 1 : 1 t/m 17 begint met: Overzicht van de afstamming van Jezus Christus, zoon van David, zoon van Abraham (vers 1). Dan volgt de gehele geslachtenlijst. Deze wordt afgesloten met vers 17: Van Abraham tot David telt de lijst dus veertien generaties, van David tot de Babylonische ballingschap veertien generaties, en van de Babylonische ballingschap tot Christus veertien generaties. Veertien is twee maal zeven. Het getal zeven heeft in de Bijbel een bijzondere betekenis. Het wijst ons steeds op Gods werk in de geschiedenis, denk maar aan de schepping in zeven dagen. Het laat ons ook zien dat God boven de geschiedenis staat en almachtig is. Deze geslachtenlijst is daar een voorbeeld van. Het is geen toeval dat er drie maal veertien geslachten in deze geslachtenlijst staan. Gods werk in de geschiedenis, dat uitmondde in de geboorte van Christus, is volledig door God Zelf geprogrammeerd. We mogen er ook op rekenen dat God bezig is de geschiedenis van deze wereld te laten uitkomen bij de wederkomst van Christus. Deze wederkomst zal vast en zeker plaatsvinden, op Gods tijd en wijze.

David, en wij
David, door God verkozen om koning te worden, een man met een groot vertrouwen op God, die dicht bij God leefde, die zondigde maar God toch trouw bleef, een man met tekortkomingen maar ook met veel talenten, een man die de voorvader mocht worden van onze Heer, Jezus Christus. God koos hem niet vanwege zijn prestaties. God riep hem, zoals Hij ook ons roept om in Zijn dienst staan. Ieder op zijn eigen plek. Ook wij kunnen zegevieren, net als David, maar alleen door het geloof. HebreeŽn 11: 32.33: Wat valt hier nog aan toe te voegen? De tijd ontbreekt me om te vertellen over Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en SamuŽl, en over de profeten, die door hun geloof koninkrijken overwonnen, gerechtigheid lieten gelden, en kregen wat hun beloofd was.
| Sites | Verantwoording | Sitemap |