Home | Personen in de Bijbel | Mozes | Mozes (5)
Mozes (4)

De verbondswoorden
In de Sinaïwoestijn kreeg Mozes opdracht van God om de berg te beklimmen. De Heer deelde Mozes mee dat Hij hem wilde toespreken ten aanschouwe van het gehele volk. God wilde dat Israël meer vertrouwen in Mozes zou krijgen (Exodus 19: 9). God gaf aan Mozes de instructies door die het volk moest opvolgen, ter voorbereiding van de ontmoeting met God. Het belangrijkste van die ontmoeting was de bekendmaking van de tien geboden en de daarvan afgeleide leefregels. De tien geboden gelden voor alle tijden, zie daarvoor de pagina: Het liefdesgebod. De leefregels waren de invulling daarvan voor die tijd.

De klim
Het staat er zo simpel: Mozes ging de berg op, naar God (Exodus 19: 3). Een man van 80 jaar oud ging een berg op van meer dan 2000 meter hoog. Het gaat niet om de prestatie, maar om de moeite die Mozes moest doen en deed om God te ontmoeten. Is die moeite voor ons niet veel minder groot? Wij hoeven slechts onze handen te vouwen om bij God te komen. En toch...... is bidden niet altijd gemakkelijk als we het goed doen. Kennen wij nog de gebedsworsteling om eenswillend te zijn met Gods wil? Om ons leven helemaal in Zijn hand te leggen? Proberen wij in onze gebeden nog om verder te komen dan in de formele tafelgebeden? Want dan gaan we pas echt zien hoe Hij ons leven leidt. Spreuken 3 : 6: Denk aan Hem bij alles wat je doet, dan baant Hij voor jou de weg.

Weer in de fout
Nog nauwelijks had Israël de verbondswoorden van God gehoord, of de eerste ernstige overtreding diende zich aan. Toen Mozes lang wegbleef (hij was nog op de berg) begonnen zij te twijfelen of hij wel terug zou komen. Ze hoorden niets meer van God en van Mozes en begonnen te verlangen naar een zichtbare god. Uiteindelijk leidde dat ertoe dat zij, onder aanvoering van Aäron, een gouden kalf maakte. Ze organiseerden een feest en dansten rondom het gouden kalf. Mozes, kwam met twee stenen platen naar beneden, waarop God Zelf de tien geboden had geschreven. Woedend gooide hij de stenen platen aan stukken en verwoestte het gouden kalf. De Levieten doodden in opdracht van Mozes drieduizend man. Het hele verhaal staat in Exodus 32.

De middelaar
Exodus 32: 31, 32: Hierop keerde hij (Mozes) terug naar de Heer. ‘Ach Heer,’ zei hij, ‘dit volk heeft zwaar gezondigd: ze hebben een god van goud gemaakt. Schenk hun vergeving voor die zonde. Wilt U dat niet, schrap mij dan maar uit het boek dat U geschreven hebt.’ Opnieuw pleitte Mozes voor het volk bij God. Maar dit keer ging hij wel erg ver: schrap mij dan maar. Mozes bood zichzelf als offer aan, om het volk te kunnen redden!

Maar het offer dat Mozes aanbood was niet toereikend om de toorn van God over de zonde van Zijn volk te stillen. Geen mens had zo’n offer kunnen brengen. Daarom zou God Zelf voor een Offer zorgen: Hij zou Zijn eigen Zoon naar deze aarde sturen, om te sterven voor de zonden van Zijn volk, voor Israël, en voor ons, en voor allen die Zijn Zoon zouden en nog zullen aannemen als de Redder van hun leven. Die Zoon is Jezus Christus. Zie ook de pagina: Onze zonden.

Mozes wordt wel de middelaar van het oude verbond genoemd. Hij bemiddelde tussen God en het volk. Dat heeft er helaas niet toe kunnen leiden dat het weer helemaal goed kwam tussen God en de mensen. Daarvoor kwam Jezus Christus, de Middelaar van het nieuwe verbond. Hebreeën 9: 15: Zo is Hij (Jezus) dan Bemiddelaar van een nieuw verbond; Hij is immers gestorven om ons te verlossen van de overtredingen tegen het eerste verbond. Nu kunnen allen die geroepen zijn het beloofde eeuwige erfdeel ontvangen.

De leider opnieuw beproefd
Mozes werd opnieuw door God uitgenodigd de berg te beklimmen, met twee nieuwe onbeschreven platen. Exodus 34: 28: Veertig dagen en veertig nachten bleef Mozes daar bij de Heer, zonder te eten of te drinken. En Hij schreef de tekst van het verbond, de tien geboden, op de platen. Het leiderschap van Mozes viel hem zwaar. Ook daarna tijdens de tocht door de woestijn, omdat het geklaag van het volk steeds weer de kop opstak. Mozes zei tegen de Heer (Numeri 11: 14, 15): Ik alleen kan de last van dit hele volk niet dragen, dat is te zwaar voor mij. Als U mij dit werkelijk wilt aandoen, dood mij dan liever meteen. Dan blijft verdere ellende mij tenminste bespaard.

Numeri 11: 16, 17: De Heer antwoordde Mozes: ‘breng zeventig van de oudsten van Israël bijeen....... Ik zal neerdalen om daar met jou te spreken, en een deel van de geest die op jou rust zal Ik op hen overdragen. Dan kunnen zij samen met jou de last van het volk dragen en hoef je dat niet langer alleen te doen’. Zo kwam God Mozes opnieuw tegemoet. Het is prachtig om te zien hoe vertrouwd Mozes met God omging en hoe God met Mozes sprak. Exodus 33: 11: De Heer sprak persoonlijk met Mozes, zoals een mens met een ander mens spreekt.

Toen Mozes’ zus en broer, Mirjam en Aäron, het leiderschap van Mozes ter discussie stelde, was het God Zelf die tegen hen zei (Numeri 12: 6 t/m 8): Luister goed. Als er bij jullie een profeet van de Heer is, maak Ik mij in visioenen aan hem bekend en spreek Ik met Hem in dromen. Maar met Mijn dienaar Mozes, op wie Ik volledig kan vertrouwen, ga Ik anders om: met hem spreek Ik rechtstreeks, duidelijk, niet in raadsels, en hij aanschouwt Mijn gestalte. Hoe durven jullie dan aanmerkingen op Mijn dienaar Mozes te maken?

Kanaän in zicht
Numeri 13: 1, 2: De Heer zei tegen Mozes: ‘Stuur er een aantal mannen op uit om Kanaän, het land dat ik de Israëlieten geven zal, te verkennen’. Numeri 13: 25 t/m 29: Nadat ze het land veertig dagen lang verkend hadden, keerden ze terug naar Kades in de woestijn van Paran, naar Mozes, Aäron en de andere Israëlieten. Ze brachten aan het hele volk verslag uit en lieten de vruchten uit het land zien. ‘Wij zijn in het land geweest waar u ons naartoe hebt gestuurd,’ vertelden ze aan Mozes. ‘Werkelijk, het vloeit over van melk en honing, en deze vruchten groeien er. Maar daar staat tegenover dat de bevolking van dat land sterk is. De steden zijn versterkt en heel groot, en ook hebben we er Enakieten gezien. In de Negev wonen Amalekieten, in het bergland Hethieten, Jebusieten en Amorieten, en aan de kust en langs de Jordaan wonen Kanaänieten.’

De tweespalt
Numeri 13: 30, 31: Kaleb, die wilde voorkomen dat het volk zich tegen Mozes zou verzetten, zei: ‘We kunnen zonder probleem optrekken en het land in bezit nemen. We kunnen dat volk makkelijk aan’. Maar de mannen die met hem mee waren geweest zeiden: ‘We kunnen dat volk niet aanvallen, het is te sterk voor ons’. Maar Jozua en Kaleb, twee van de mannen die waren meegegaan om het land te verkennen, zeiden: Wij worden bijgestaan door de Heer. Wees dus niet bang voor hen (Numeri 14: 9). Maar het hele volk begon zich te beklagen, Numeri 14: 3: We kunnen beter teruggaan naar Egypte. God richt Zich dan tot Mozes en stelt voor het volk te straffen, maar Mozes houdt een lang pleidooi voor het volk. Hij eindigt dan met: Ik smeek U, toon Uw grote trouw en vergeef dit volk zijn schuld, zoals U het steeds vergiffenis hebt geschonken, van Egypte af tot hier toe (Numeri 14: 19).

Het oordeel
Maar dan zegt God (Numeri 14: 20 t/m 25): Ik zal vergeving schenken, zoals je vraagt. Maar zo waar ik leef en de hele aarde vervuld is van de majesteit van de Heer, niemand van degenen die Mijn majesteit gezien hebben en de wonderen die Ik in Egypte en in de woestijn heb verricht, en die Mij nu al tien keer op de proef gesteld hebben door Mij niet te gehoorzamen, zal het land zien dat Ik hun voorouders onder ede heb beloofd. Niemand van hen die Mij hebben afgewezen krijgt het te zien. Maar Mijn dienaar Kaleb, die door een andere geest bezield was en Mij volkomen trouw is geweest, hem zal Ik naar het land brengen waar hij geweest is, en zijn nakomelingen zullen het bezitten. Nu wonen daar de Amalekieten en Kanaänieten nog in de valleien. Keer morgen om en trek de woestijn weer in, in de richting van de Rode Zee.

Mozes en Aäron moeten ook het volgende nog tegen het volk zeggen: Wat jullie betreft, jullie lijken zullen hier in de woestijn komen te liggen, en je kinderen zullen veertig jaar lang door de woestijn ronddolen om te boeten voor je ontrouw, tot jullie lijken hier in de woestijn vergaan zijn.  Veertig dagen hebben jullie het land verkend, veertig jaar zul je voor je schuld boete doen, één jaar voor elke dag. Dan zul je ondervinden wat het betekent als Ik mijn handen van je aftrek (Numeri 14: 32 t/m 34).

God was zo lang zo geduldig geweest met het volk, de straf kon eigenlijk niet langer uitblijven. Opnieuw had het volk gedemonstreerd dat ze geen vertrouwen hadden, in God niet en in Mozes niet. De pleidooien van Mozes hadden dit keer maar ten dele succes. Ten dele: God vergaf wel hun zonden, maar de straf was niet meer af te wenden. Dit moet voor Mozes ook heel moeilijk zijn geweest, een grote tegenslag, een grote stap terug. Mozes had het ongetwijfeld begrepen en aanvaard, maar toch. Toch bleef hij, ook in de daarna volgende woestijnperiode, steeds voor het volk pleiten.

Het vervolg staat op de pagina Mozes (5).
| Sites | Verantwoording | Sitemap |