Home | Personen in de Bijbel | Paulus | Paulus (2)
Paulus (1)

Wie was Paulus
Paulus was geroepen om het evangelie te brengen aan de Joden die buiten Israël woonden en aan de heidenen. Zo zou het evangelie bekend worden in Europa en later wereldwijd. Paulus heeft als het ware de deur voor het evangelie naar de wereld mogen openzetten. Zijn leven was een volledige opoffering voor deze taak. Behalve drie zendingsreizen en een reis naar Rome heeft Paulus veel brieven geschreven aan de gemeenten die hij op zijn reizen heeft bezocht. Deze brieven zijn opgenomen in het Nieuwe Testament. Zo heeft de Heer ervoor gezorgd dat de christelijke gemeenten door de eeuwen heen door Paulus konden worden aangespoord, bemoedigd en getroost. Onderstaand wordt het leven van Paulus, met name wat hij meemaakte tijdens de (zendings-)reizen, voor zover ons bekend en met aandacht voor bijzondere omstandigheden, beschreven aan de hand van het boek Handelingen en wordt uit zijn brieven daar waar van toepassing geciteerd.

Paulus was een Jood (2 Korintiërs 11: 21,22) geboren in Tarsus, een Griekse stad die onder Romeins bestuur stond (Handelingen 22: 3). Paulus had zich al jong aangesloten bij de farizeeërs, een gezelschap van Joodse wetgeleerden. Paulus was opgeleid door een vooraanstaande farizeeër genaamd Gamaliël (Handelingen 22: 3). Hoewel Paulus een Jood was had hij ook het Romeinse burgerrecht (Handelingen 22: 27,28). Zijn Hebreeuwse naam was Saulus (betekent: van God gebeden), maar gaandeweg zijn optreden werd hij bij zijn Latijnse naam genoemd: Paulus. Paulus betekent: klein, bescheiden (zie ook 1 Korintiërs 15: 9). Paulus wordt in de Bijbel zo genoemd vanaf de 1e zendingsreis (Handelingen 13).

Eerste optreden van Saulus
We komen Saulus, zoals hij toen nog werd genoemd, voor het eerst tegen bij de steniging van Stefanus. We lezen over Stefanus o.a. het volgende. Handelingen 6: 8-14: Stefanus verrichtte dankzij Gods genade en kracht grote wonderen en tekenen onder het volk. Enkele leden van de synagoge . . . . . kwamen echter in verzet en begonnen met hem te redetwisten, maar ze konden niet op tegen zijn wijsheid en tegen de heilige Geest die hem bezielde. Daarop zetten ze anderen ertoe aan te verklaren dat ze hadden gehoord dat Stefanus Mozes en God had gelasterd. Ook het volk hitsten ze op, evenals de oudsten en de schriftgeleerden. Ten slotte namen ze Stefanus gevangen en brachten hem voor het Sanhedrin. Ze lieten valse getuigen komen, die verklaarden: ‘Deze man keert zich steeds weer tegen de tempel en de wet, want we hebben hem horen zeggen dat Jezus uit Nazaret de heilige plaats zal afbreken en de gebruiken die Mozes ons heeft overgeleverd zal veranderen.'

De opoffering van Stefanus
Stefanus preekte niet alleen het evangelie, dat de weerstand van de Joodse leiders opriep, maar had ook de gaven van genezing en wijsheid van de Heilige Geest gekregen, waardoor de Joodse leiders “niet tegen hem op” konden. Redenen genoeg om hem op te pakken en voor het sahedrin (de Joodse raad) te brengen. Er werden valse getuigen opgeroepen en de hogepriester vroeg zijn reactie op de valse beschuldigingen. Stefanus begon toen vanuit het Oude Testament uit te leggen hoe God de komst van de Messias heeft voorbereid in de geschiedenis van de aardsvaders en het volk Israël. Maar toen ging hij in de aanval.

Handelingen 7: 51-53: Halsstarrige ongelovigen, u wilt niet luisteren en verzet u steeds weer tegen de Heilige Geest, zoals uw voorouders ook al deden. Wie van de profeten hebben uw voorouders niet vervolgd? Degenen die de komst van de rechtvaardige aankondigden hebben ze gedood, en zelf hebt u nu de rechtvaardige verraden en vermoord, u die de wet ontvangen hebt door tussenkomst van de engelen, maar er niet naar hebt geleefd.’

Het gevolg was niet verwonderlijk. Handelingen 7: 54-60: Toen ze dit hoorden, ontstaken ze in woede en begonnen te knarsetanden. Maar vervuld van de Heilige Geest sloeg Stefanus zijn blik op naar de hemel en zag de luister van God, en Jezus, die aan Gods rechterhand stond, en hij zei: ‘Ik zie de hemel geopend en de Mensenzoon, die aan Gods rechterhand staat.’ Maar ze schreeuwden en tierden, hielden hun handen voor hun oren en stormden met zijn allen op hem af. Ze dreven hem de stad uit om hem te stenigen. De getuigen gaven hun mantel in bewaring bij een jongeman die Saulus heette. Terwijl Stefanus gestenigd werd, riep hij uit: ‘Heer Jezus, ontvang mijn geest.’ Hij viel op zijn knieën en riep luidkeels: ‘Heer, reken hun deze zonde niet aan!’ En na deze woorden stierf hij.

Saulus de tegenstander
We leren Saulus hier kennen als een fanatiek tegenstander van Christus en Zijn volgelingen, die de behoefte had om zich uitdrukkelijk met de vervolging van de christenen bezig te houden. Saulus had al gehoord van de jonge beweging van christenen en was vastbesloten om (mee te helpen om) deze “sekte” te vervolgen en uit te roeien (Galaten 1: 14 en Fillippenzen 3: 6). Handelingen 8: 1-3: Saulus keurde de moord op hem (Stefanus) goed. Nog diezelfde dag brak er een hevige vervolging los tegen de gemeente in Jeruzalem, zodat allen verspreid werden over Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen. Vrome mannen begroeven Stefanus en hielden een luide dodenklacht voor hem. Saulus probeerde de gemeente te vernietigen door mannen en vrouwen met geweld uit hun huizen te sleuren en hen te laten opsluiten in de gevangenis.

Ondanks de tegenstand werd het evangelie van Jezus verder verbreid, in eerste instantie in Samaria. Door de prediking van Filippus kwamen velen in Samaria tot geloof en lieten zich dopen. Ook Petrus en Johannes, discipelen van Jezus, gingen naar Samaria om de jonge christenen door handoplegging te dopen in de Heilige Geest. Het zat Saulus allemaal niet lekker. Hij vroeg toestemming aan de hogepriester om naar Damascus te gaan met als doel de christenen aldaar gevangen te nemen en mee terug te nemen naar Jeruzalem. Maar het liep anders af dan hij had kunnen bedenken.

Saulus bekeerd
Handelingen 9: 3-9: Toen hij onderweg was en Damascus naderde, werd hij plotseling omstraald door een licht uit de hemel. Hij viel op de grond en hoorde een stem tegen hem zeggen: ‘Saul, Saul, waarom vervolg je mij?’ Hij vroeg: ‘Wie bent U, Heer?’ Het antwoord was: ‘Ik ben Jezus, die jij vervolgt. Maar sta nu op en ga de stad in, daar zal je gezegd worden wat je moet doen.’ De mannen die met Saulus meereisden, stonden sprakeloos; ze hoorden de stem wel, maar zagen niemand. Saulus kwam overeind, en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien. Zijn metgezellen pakten hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. Drie dagen lang bleef hij blind en at en dronk hij niet.

Drie dagen lang heeft Saulus deze schokkende gebeurtenis op zich in kunnen laten werken. Dat zal hij wel nodig hebben gehad, om deze radicale ingreep in zijn leven te kunnen verwerken en te accepteren. Wellicht heeft hij nog eens teruggedacht aan Stefanus, die vanwege zijn geloof in Jezus werd gestenigd. Stond hem dat nu ook te wachten? Wij weten uit het vervolg dat dit inderdaad zo was. Makkelijk zou het niet worden, hoe geloofwaardig zou zijn bekering zijn voor de mensen die hem kenden?

Toen stuurde de Heer een zekere Ananias, een christen, naar Paulus toe in Damascus. Handelingen 9: 17-19: Ananias vertrok en ging naar het huis, waar hij Saulus de handen oplegde, terwijl hij zei: ‘Saul, broeder, ik ben gezonden door de Heer, door Jezus, die aan u verschenen is op de weg hierheen, om ervoor te zorgen dat u weer kunt zien en vervuld wordt van de Heilige Geest.’ Meteen was het alsof er schellen van Saulus’ ogen vielen; hij kon weer zien, stond op en liet zich dopen, en nadat hij gegeten had, kwam hij weer op krachten.

Onze vragen
Wij zijn soms geneigd om vragen te stellen bij het doen en laten van God. Waarom overkomt mij dit of dat, waarom grijpt God niet in, enz. Bij het bekeringsverhaal van Saulus komt ook zo’n vraag naar boven: waarom juist hij? Had God niet beter een gematigde Jood kunnen nemen, die nog enige sympathie kon opbrengen voor de christenen? Waarom juist deze fanatieke tegenstander? Hoe begrijpelijk deze vragen ook zijn, we moeten ze laten voor wat ze zijn: vragen. Het is niet aan ons om ons te bemoeien met de besturing van deze wereld. God weet wat Hij doet, ook al snappen wij Zijn keuzes niet altijd. Hoe dan ook, God heeft een fanatiek tegenstander bekeerd tot een gedreven voorstander: iemand die geen moeite uit de weg zou gaan om het evangelie te verkondigen en dat evangelie ook in andere landen bekend te maken.

Moeizame start van Saulus
Die plotselinge bekering van Saulus bracht hem aanvankelijk in de problemen. Handelingen 9: 23-26: Al spoedig beraamden de Joden een plan om hem te vermoorden. Saulus raakte echter van hun voornemen op de hoogte. Ze bewaakten zelfs dag en nacht de stadspoorten om hem te kunnen doden. Maar Saulus’ leerlingen brachten hem ’s nachts naar de stadsmuur en lieten hem daar in een mand naar beneden zakken. Toen hij terug was in Jeruzalem wilde hij zich aansluiten bij de leerlingen, maar die waren bang voor hem omdat ze niet geloofden dat ook hij een leerling was geworden. De discipelen accepteerden Saulus uiteindelijk, maar toen hij met de discipelen in Jeruzalem rondliep om het evangelie te verkondigen liep hij weer gevaar. Handelingen 9: 29,30: Hij ging in debat met de Griekstalige Joden, maar die beraamden een aanslag op zijn leven. Toen de broeders dat te weten kwamen, brachten ze hem naar Caesarea en stuurden hem van daar naar Tarsus. Dat de Joden in Damascus en Jeruzalem moeite hadden om de radicale bekering van Saulus te accepteren begrijpen we wel. Ook de discipelen van Jezus hadden die aarzelingen. Maar twee pogingen om hem te vermoorden in korte tijd moet Saulus in zijn keuze voor Jezus wel hebben bevestigd.

Barnabas en Saulus
Saulus was dus naar Tarsus gestuurd. Handelingen 11: 25,26: Hierna vertrok Barnabas naar Tarsus om Saulus te zoeken, en toen hij hem gevonden had, nam hij hem mee naar Antiochië. Een heel jaar lang kwamen ze met de gemeente daar bijeen en gaven ze onderricht aan tal van mensen. Het was in Antiochië dat de leerlingen voor het eerst christenen werden genoemd. Handelingen 11: 29: De leerlingen besloten dat de broeders en zusters in Judea ondersteund moesten worden. Ze droegen elk naar vermogen bij en lieten hun gift door Barnabas en Saulus naar de oudsten (in Jeruzalem) brengen. Handelingen 12: 24: Het woord van God verspreidde zich en vond steeds meer gehoor. Barnabas en Saulus keerden terug uit Jeruzalem na daar hun gift overhandigd te hebben. Ze namen Johannes Marcus met zich mee.

Het vervolg staat op de pagina Paulus (2).
| Sites | Verantwoording | Sitemap |