Home | Personen in de Bijbel | Paulus | Paulus (3)
Paulus (2)

De eerste zendingsreis
Handelingen 13: 1-4: Er waren in de gemeente van AntiochiŽ profeten en leraren, onder wie Barnabas, Simeon die Niger werd genoemd, Lucius de CyreneeŽr, ManaŽn, een jeugdvriend van de tetrarch Herodes, en Saulus. Op een dag, toen ze aan het vasten waren en een gebedsdienst hielden voor de Heer, zei de Heilige Geest tegen hen: ĎStel mij Barnabas en Saulus ter beschikking voor de taak die ik hun heb toebedeeld.í Nadat ze gevast en gebeden hadden, legden ze hun de handen op en lieten hen vertrekken. Zo werden Barnabas en Saulus uitgezonden door de Heilige Geest.

Dit gedeelte laat nog eens zien hoe belangrijk bidden is voor christenen. Door bidden en bijbellezen leren wij God steeds beter kennen. Door bidden leggen we ons leven in Zijn hand en leren we wat God met ons leven wil. Bidden kan soms leiden tot een belangrijke aanwijzing of overtuiging wat we in een bepaalde situatie moeten doen. Dit overkwam ook Barnabas en Saulus. God wilde hen gebruiken om het evangelie verder te brengen, de wereld in. Ze gingen per schip naar Cyprus, en verkondigden het evangelie in Salamis en Pafos. In Pafos kwam de proconsul (de gouverneur) tot geloof (Handelingen 13: 6-12). Vanf die tijd werd Saulus steeds Paulus genoemd.

Tegenstand
Ze ondervonden bij hun werk veel tegenstand. Het was niet alleen zo dat de mensen het evangelie niet geloofden of konden geloven, maar vele Joden waren overtuigd tegenstanders. Ze geloofden niet dat Jezus de Messias is: Hij was immers geen Koning geworden en uiteindelijk als misdadiger gekruisigd. De kruisiging was volgens hen een straf van God. Deuternomium 21: 22,23: Als iemand een misdrijf heeft gepleegd waarop de doodstraf staat, en u hangt hem na voltrekking van het vonnis op aan een paal, dan moet u zijn lijk voor het einde van de dag begraven en het daar niet ís nachts nog laten hangen; anders maakt u het land dat de Heer, uw God, u als grondgebied geeft onrein. Want op een gehangene rust Gods vloek. Ze geloofden niet dat Jezus de vloek van God voor ons allen ondergaan heeft.

Onder de Grieken zouden ze het veelgodendom nog tegenkomen, een denkwijze die eveneens ver af lag van het christelijke evangelie. Paulus schreef daarover in zijn brief aan de KorintiŽrs, 1 KorintiŽrs 8: 5,6: Ook al zijn er zogenaamde goden in de hemel of op aarde Ė en zo zijn er immers heel wat goden en heren Ė, wij weten: er is ťťn God, de Vader, uit Wie alles is ontstaan en voor Wie wij zijn bestemd, en ťťn Heer, Jezus Christus, door Wie alles bestaat en door Wie wij leven.

Naar Perge
Vanaf Pafos zijn Paulus en Barnabas per schip naar Perge gereisd in PamfyliŽ (een streek in het zuiden van het huidige Turkije). Johannes Marcus ging echter niet verder mee en keerde terug naar Jeruzalem. Ze trokken te voet verder naar AntiochiŽ in het iets noordelijker gelegen PisidiŽ. In de synagoge van AntiochiŽ verkondigde Paulus het evangelie. Evenals Stefanus gaf hij eerst een korte terugblik op de geschiedenis zoals beschreven in het Oude Testament, om vervolgens bij Jezus uit te komen (Handelingen 13: 15-41). Voor de Joden moet de geschiedenis vertrouwd hebben geklonken, mede door de aanhalingen van Paulus van gedeelten uit het Oude Testament.

Mooi waren verwijzingen naar de Psalmen, toen hij uitlegde hoe van Christus al werd geprofeteerd. Psalm 2: 7: Het besluit van de HEER wil ik bekendmaken. Hij sprak tot mij: ĎJij bent Mijn Zoon, ik heb Je vandaag verwekt. Psalm 16: 10: U levert Mij niet over aan het dodenrijk en laat Uw trouwe Dienaar het graf niet zien. Paulus en Barnabas kregen het verzoek om de volgende sabbat opnieuw over dit onderwerp te spreken, en dat deden ze. De tweede keer kwam bijna de gehele stad bijeen om naar hen te luisteren. De heidenen verheugden zich zeer en velen kwamen tot geloof.

De Joden ergerden zich echter aan de aandacht die Paulus en Barnabas kregen en zagen kans om hen uit de stad te verdrijven. Paulus en Barnabas moeten hier de overtuiging hebben gekregen dat zij geroepen waren om het evangelie aan de heidenen te brengen. Paulus zou later schrijven in zijn brief aan de Romeinen (3: 29,30): Is God soms alleen de God van de Joden en niet Die van de heidenen? Zeker ook Die van de heidenen, want er is maar ťťn God, en Hij zal zowel besnedenen als onbesnedenen op grond van hun geloof als rechtvaardigen aannemen.

De woede van de Joden
Het is opvallend dat de Joden vaak in woede ontstaken. Dat zij moeite hadden om dit evangelie te aanvaarden kunnen we nog begrijpen, maar dat ze steeds in woede ontstaken is opvallend. Ook Jezus zelf en en Zijn discipelen hadden dit al ervaren in IsraŽl. Zie bijvoorbeeld wat er gebeurde toen Jezus in de synagoge van KafarnaŁm had gepreekt, Lucas 4: 28-30: Toen de aanwezigen in de synagoge dit hoorden, ontstaken ze in grote woede. Ze sprongen op en dreven Hem de stad uit, naar de rand van de berg waarop hun stad gebouwd was, om Hem in de afgrond te storten. Maar Hij liep midden tussen hen door en vertrok.

De heidenen vonden het evangelie vaak ongeloofwaardig, vooral de opstanding uit de dood konden ze niet geloven. Maar zij konden nog hun hoofd schudden en weglopen. De Joden echter voelden zich aangevallen, omdat zij de profetieŽn volgens Paulus niet hadden begrepen en bovendien Jezus, de Messias, hadden laten kruisigen. Stel dat dŠt waar zou zijnÖÖ! Daarmee zette Paulus de Joden tegen de muur, wat ze niet accepteerden.

Naar Ikonium en Lystra
Paulus en Barnabas lieten zich niet ontmoedigen door de haat van de Joden en trokken verder naar Ikonium. De prediking van het evangelie riep ook hier verdeeldheid op. De Joden wisten de heidenen tegen Paulus en Barnabas op te zetten. Toen ze vernamen dat de inwoners hen wilden stenigen trokken ze snel door naar Lystra. In Lystra heeft Paulus een verlamde man genezen door de kracht van de Heilige Geest (Handelingen 14: 8-18).

Daarin werd Paulus een echte volgeling van Jezus, die ook zieken genas en verlamden oprichtte, zie MatteŁs 15: 29-31: Jezus trok weer verder. Bij het Meer van Galilea ging Hij de berg op; daar ging Hij zitten. Er kwamen grote mensenmassaís op Hem af. Men had verlamden, blinden, kreupelen, doofstommen en vele anderen meegebracht, die men aan Zijn voeten legde, en Hij genas hen allen. De mensen zagen vol verwondering hoe doofstommen gingen spreken, kreupelen beter werden, verlamden gingen lopen en blinden weer konden zien, en ze brachten hulde aan de God van IsraŽl.

Maar het enthousiasme van de inwoners van Lystra over de prediking en deze genezing verdween toen er Joden uit AntiochiŽ en Ikonium kwamen die de inwoners tegen Paulus en Barnabas opzetten. Dit leidde ertoe dat Paulus werd gestenigd en de stad uit werd gesleept. Gelukkig had hij het overleefd en vertrok met Barnabas naar Derbe.

Het slot van de eerste reis
In Derbe ďmaaktenĒ ze veel leerlingen en werden ze niet lastig gevallen door de Joden. Ze stelden oudsten aan om de gemeente te leiden en reisden daarna via dezelfde weg terug naar AntiochiŽ. Handelingen 14: 27,28: Daar aangekomen riepen ze de gemeente bijeen en brachten verslag uit van alles wat God door hen tot stand had gebracht. Ze vertelden hoe hij voor de heidenen de deur naar het geloof had geopend. Ze bleven nog geruime tijd bij de leerlingen.

Eind goed, al goed, is echter niet de juiste typering aan het slot van de eerste reis. In AntiochiŽ onstond een discussie over de vraag of de bekeerde heidenen ook besneden zouden moeten worden evenals de Joden. Paulus en Barnabas en enkele anderen gingen naar de apostelen in Jeruzalem om hen dit probleem voor te leggen. De meningen hierover bleken verdeeld en men kwam tenslotte tot een compromis. De bekeerde heidenen hoefden zich niet te laten besnijden maar dienden zich te onthouden van wat door de afgodendienst bezoedeld is, van ontucht, van vlees waar nog bloed in zit en van het bloed zelf (Handelingen 15: 20). Twee leiders van de gemeente, Judas en Silas, gingen met Barnabas en Paulus terug naar AntiochiŽ om dit aan de gemeente aldaar mee te delen. Zie de beschrijving hiervan in Handelingen 15: 1-35.

Paulus zelf was geen voorstander van de besnijdenis van de bekeerde heidenen. Hij vond de besnijdenis niet meer van toepassing, ook niet voor de Joden. Hij schrijft daar zelf over in bijvoorbeeld Romeinen 2: 28,29: Jood is men niet door zijn uiterlijk, en de besnijdenis is geen lichamelijke besnijdenis. Jood is men door zijn innerlijk, en de besnijdenis is een innerlijke besnijdenis. Het is het werk van de Geest, niet een voorschrift uit de wet, dus wie innerlijk een Jood is, ontvangt geen lof van mensen maar van God.

Het vervolg staat op de pagina Paulus (3).
| Sites | Verantwoording | Sitemap |