Home | Personen in de Bijbel | Paulus | Paulus (4)
Paulus (3)

De tweede zendingsreis
Paulus stelde aan Barnabas voor om terug te gaan naar de plaatsen die ze hadden bezocht op hun eerste reis, om te zien hoe het met de gelovigen ging. Barnabas wilde opnieuw Johannes Marcus meenemen, maar Paulus was daar op tegen. Johannes Marcus had hen na Pafos in de steek gelaten. Dit meningsverschil leidde tot een onoverbrugbaar conflict zodat Paulus en Barnabas uiteen gingen. Barnabas en Johannes Marcus gingen naar Cyprus, maar Paulus ging met Silas naar Syrië en Cilicië.

Wat de achtergrond van het conflict tussen Paulus en Barnabas precies was zullen we nooit weten. Paulus vond het afhaken van Johannes Marcus onacceptabel en hij wilde hem kennelijk geen tweede kans geven. Dat zegt iets over het temperament van Paulus en de inzet die hij ook van anderen verwachtte. Het kan ook zijn dat het besnijdenis-probleem dat in Jeruzalem is besproken, een meningsverschil tussen Paulus en Barnabas had blootgelegd. Hoewel er een compromis was bereikt heeft dit gebeuren mogelijk tot een wig in hun geestverwantschap geleid.

Terug naar Derbe en Lystra
Zo gingen Paulus en Silas via de “noordelijke route” terug naar Derbe en Lystra. In Lystra ontmoette hij Timoteüs, een jonge christen, zoon van een gelovige Joodse moeder en een niet-Joodse vader. Paulus kon heel goed met Timoteüs uit de voeten, en wilde hem graag meenemen op zijn reis. Er was echter een probleem: Timoteüs had een heidense vader en was als half-Jood niet besneden, en dat wisten de mensen in de gehele streek. Dit zou een probleem kunnen opleveren bij de verkondiging van het evangelie. Daarom deed Paulus iets wat eigenlijk tegen zijn principes was: hij besneed Timoteüs (Handelingen 16: 3).

Zo trokken ze gedrieën verder door Frygië. Paulus wilde verder naar Asia, maar de Heilige Geest verhinderde dat. Dan maar door Mysië naar Bitynië, maar nee, dat wilde de Heilige Geest ook niet. Wat overbleef was de weg naar Troas, aan de westkust. Hoe de Heilige Geest hen deze weg heeft gewezen is niet duidelijk. Ze zullen hun weg biddend zijn gegaan, waarbij de Geest hen heeft overtuigd van de richting die zij uit moesten gaan. Wat het doel van de Heilige Geest was werd duidelijk toen ze in Troas aankwamen.

Geroepen naar Macedonië
Handelingen 16: 9,10: Daar kreeg Paulus ’s nachts een visioen, waarin een man uit Macedonië hem toeriep: ‘Steek over naar Macedonië en kom ons te hulp!’ Toen Paulus dit visioen had gezien, wilden we meteen naar Macedonië vertrekken, omdat we eruit opmaakten dat God ons geroepen had om aan de mensen daar het evangelie te verkondigen. Deze tekst staat in de wij-vorm ( wilden we…omdat we….dat God ons geroepen had ). De schrijver van Handelingen, Lucas, heeft zich vermoedelijk hier bij het gezelschap gevoegd en is verder meegereisd.

Na een bootreis van enkele dagen, via het eiland Samotrake en naar de kustplaats Neapolis, en nog een voettocht kwamen ze aan in Filippi. Daar zochten ze de vermoedelijke gebedsplaats op en kwamen in gesprek met een zekere Lydia, een purperverkoopster. Handelingen 16: 14,15: Een van onze toehoorsters was een vrouw uit Tyatira die in purperstoffen handelde; ze heette Lydia en vereerde God. De Heer opende haar hart voor de woorden van Paulus. Nadat zij en haar huisgenoten waren gedoopt, nodigde ze ons uit met de woorden: ‘Als u ervan overtuigd bent dat ik in de Heer geloof, neem dan bij mij uw intrek.’ Ze drong er bij ons sterk op aan.

Paulus en zijn mannen hebben gebruik gemaakt van de gastvrijheid van Lydia en waren mogelijk van plan geweest daar nog enkele dagen te blijven. Een andere vrouw gooide echter roet in het eten. Handelingen 16: 16-18: Een andere keer, toen we weer op weg waren naar de gebedsplaats, kwamen we een jonge slavin tegen die bezeten was door een geest en zo de toekomst kon voorspellen. Met haar waarzeggerij verdiende ze veel geld voor haar eigenaars. Terwijl ze achter Paulus en ons aan liep, schreeuwde ze aan één stuk door: ‘Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God en verkondigen u hoe u gered kunt worden!’ Dat ging verscheidene dagen zo door. Toen Paulus er genoeg van kreeg, sprak hij de geest als volgt toe: ‘Ik beveel je in de naam van Jezus Christus: verlaat haar!’ En op datzelfde moment ging de geest uit haar weg.

De boze geest
De jonge slavin was bezeten door een waarzeggende geest. Het woordje “bezeten” geeft al aan dat het om een demon ging, een duivelse geest. In de naam van Jezus Christus kon deze geest echter worden uitgedreven. Het is opvallend dat deze boze geest de waarheid over Paulus en Silas verkondigde: Deze mensen zijn dienaren van de allerhoogste God en verkondigen u hoe u gered kunt worden! Soms kan de Satan niet anders dan de waarheid verkondigen. Dat heeft Jezus Zelf ook ervaren, Marcus 1: 23,24: Er was in de synagoge ook een man die bezeten was door een onreine geest, en hij schreeuwde: ‘Wat hebben wij met Jou te maken, Jezus van Nazaret? Ben Je gekomen om ons te vernietigen? Ik weet wel wie Je bent, de Heilige van God.’

Toen de waarzegster haar voorspellende gave kwijt was kwamen haar eigenaars in het geweer. Ze ontstaken in woede tegen Paulus en Silas, sleurden hen naar het marktplein en brachten hen voor het stadsbestuur. Daar maakten ze het aannemenlijk dat Paulus en Silas de stad in rep en roer brachten, door de “vreemde” leer die zij verkondigden. Handelingen 16: 22-24: Ook de verzamelde menigte keerde zich tegen Paulus en Silas, waarna de stadsbestuurders hun de kleren van het lijf lieten scheuren en bevel gaven hen met stokslagen te straffen. Nadat ze een groot aantal slagen hadden gekregen, werden ze opgesloten in de gevangenis, waar de gevangenbewaarder opdracht kreeg hen streng te bewaken. Overeenkomstig dit bevel bracht hij hen naar de binnenste kerker en sloot hun voeten in het blok.

Gevangen
Voor Paulus en Silas moet deze wending in hun lot een enorme tegenslag zijn geweest. Het begon zo mooi met de bekering van Lydia en haar gastvrije houding. Door de uitdrijving van de geest bij de waarzeggende slavin veranderde de sfeer in de stad en leidde uiteindelijk tot hun gevangenneming. Ze zaten daar in de kerker, met hun voeten vastgeklonken en met de pijn in hun lijf van de stokslagen die ze hadden gekregen. Het is onvoorstelbaar dat we daarna het volgende lezen: Om middernacht waren Paulus en Silas aan het bidden en zongen ze lofliederen voor God. De andere gevangenen luisterden aandachtig naar hen (Handelingen 16: 25).

Paulus zou later aan de gemeente in Filippi schrijven: Laat de Heer uw vreugde blijven; ik zeg u nogmaals: wees altijd verheugd (Filippenzen 4: 4). Paulus en Silas brachten dit in de gevangenis van Filippi in de praktijk. Hij zou later schrijven aan de gemeente in Kolosse, Kolossenzen 3: 16,17: Laat Christus’ woorden in al hun rijkdom in u wonen; onderricht en vermaan elkaar in alle wijsheid, zing met heel uw hart psalmen en hymnen voor God en liederen die de Geest u vol genade ingeeft. Doe alles wat u zegt of doet in de naam van de Heer Jezus, terwijl u God, de Vader, dankt door Hem. De woorden van Paulus in zijn brieven winnen aan kracht, wetende dat hij zichzelf hieraan heeft gehouden, ondanks lijden, verdrukking en levensdreiging.

Het vervolg staat op de pagina Paulus (4).
| Sites | Verantwoording | Sitemap |