Home | Personen in de Bijbel | Paulus | Paulus (6)
Paulus (5)

De derde zendingsreis
Toen Paulus enige tijd in Antiochië was geweest vertrok hij opnieuw voor een rondreis naar Galatië en Frygië. Hij wilde terug naar de plaatsen waar hij was geweest om de jonge christenen te bemoedigen. Ondertussen was er in Efeze een verkondiger van het evangelie, een bekeerde Jood, die Apollos heette. Hij was een geestdriftig spreker, maar het ontbrak hem nog aan kennis. In Efeze waren Priscilla en Aquila, die door Paulus aldaar waren achtergelaten, ook nog aanwezig en zij zorgden ervoor dat Apollos het nodige onderricht kreeg. Apollos was tot grote steun voor de gelovigen in Efeze.

Toen Paulus in Efeze aankwam was Apollos inmiddels naar Korinte vertrokken. De invloed van Apollos was ook in Korinte groot, zo groot zelfs dat er in Korinte verdeeldheid ontstond onder de christenen: ze discussieerden wie van de predikers zij het beste konden volgen. Paulus schreef daar later over in zijn eerste brief aan Korinte het volgende: Broeders en zusters, in de naam van onze Heer Jezus Christus roep ik u op om allen eensgezind te zijn, om scheuringen te vermijden, om in uw denken en uw overtuiging volkomen één te zijn. Door Chloë’s huisgenoten is mij namelijk verteld, broeders en zusters, dat er verdeeldheid onder u heerst. Ik bedoel dat de een zegt: ‘Ik ben van Paulus,’ een ander: ‘Ik van Apollos,’ een derde: ‘Ik van Kefas,’ en een vierde: ‘Ik van Christus.’ Is Christus dan verdeeld? Is Paulus soms voor u gekruisigd? Of is het in de naam van Paulus dat u bent gedoopt? (1 Korintiërs 1: 10-13).

Herstelwerk en verkondiging
In Efeze had Paulus eerst het nodige “herstelwerk” te doen. Er waren bekeerde christenen die wel waren gedoopt, maar niets wisten van de Heilige Geest. De christenen vertelden Paulus dat ze gedoopt waren met de doop van Johannes de Doper. Maar Johannes de Doper had over de doop gezegd: Ik doop jullie met water ten teken van jullie nieuwe leven, maar na mij komt Iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor Hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de Heilige Geest en met vuur (Matteüs 3: 11). Toen Paulus hen dit had uitgelegd lieten zij zich alsnog dopen in de naam van Jezus Christus, waarna Paulus hen de handen oplegde en zij de Heilige Geest ontvingen.

De eerste drie maanden preekte Paulus regelmatig in de synagoge. Door sommige aanwezigen werd het evangelie van Christus echter belachelijk gemaakt, waardoor Paulus zijn onderricht voortzette in de school van Tyrannus. Door sprak hij twee jaar lang elke dag. Bovendien deed hij genezingen en werden boze geesten uitgedreven. Ook Joodse geestenbezweerders probeerden boze geesten uit te drijven, maar dat lukte hen niet, omdat ze dit niet deden in de naam van Jezus Christus. Het evangelie werd in Efeze alom bekend en vond steeds meer gehoor (Handelingen 19: 8-20).

Oproer in Efeze
Maar toen gebeurde het volgende. Handelingen 19: 23-29: Omstreeks die tijd ontstond er grote opschudding naar aanleiding van de Weg. Dat kwam door een zekere Demetrius, een zilversmid die Artemistempeltjes vervaardigde en zo zijn ambachtslieden een ruim inkomen verschafte. Hij riep hen en de arbeiders die bij de werkzaamheden betrokken waren bijeen en zei tegen hen: ‘Mannen, jullie weten dat onze welvaart afhankelijk is van dit werk. Maar jullie hebben uiteraard ook gemerkt dat Paulus niet alleen in Efeze, maar in bijna heel Asia een grote groep mensen heeft weten te overtuigen van zijn opvatting dat goden die door mensenhanden worden gemaakt geen goden zijn. Daardoor dreigt niet alleen ons beroep in diskrediet te raken, maar bestaat ook het gevaar dat de tempel van de grote godin Artemis in aanzien zal dalen en dat zijzelf, die in heel Asia en in de hele wereld wordt vereerd, van haar luister zal worden beroofd.’ Bij het horen van deze woorden ontstaken zijn toehoorders in hevige woede en barstten los in geschreeuw: ‘Groot is de Artemis van Efeze!’ De hele stad raakte in rep en roer. De menigte liep te hoop bij het theater en sleurde Gajus en Aristarchus mee, twee Macedonische reisgenoten van Paulus.

Het liep gelukkig goed af voor Paulus en de andere evangelieverkondigers. De stadssecretaris hield een diplomatieke rede in het theater waardoor de gemoederen bedaarden. Hij had geen belang bij een oproer, want dat kon hem zijn positie kosten. Na dit tumult nam Paulus afscheid van de gelovigen en ging naar Macedonië. Hij bemoedigde daar de gelovigen en reisde door naar Griekenland, waar hij drie maanden verbleef. Toen vertrok hij weer naar Macedonië met zijn medewerkers en kwam uiteindelijk in Troas aan.

Het wonder van Troas
Handelingen 20: 7-12: Op de eerste dag van de week kwamen we bijeen voor het breken van het brood. Paulus, die van plan was om de volgende dag verder te reizen, hield een toespraak voor de leerlingen die tot midden in de nacht duurde. We waren bijeengekomen in een bovenvertrek, waar veel olielampen brandden. Een jongeman die Eutychus heette, zat in het venster en werd door slaap overmand toen Paulus maar doorging met zijn toespraak. Diep in slaap verzonken viel hij van de derde verdieping naar beneden; toen men hem optilde bleek hij dood te zijn. Paulus ging naar beneden, ging op hem liggen, sloeg zijn armen om hem heen en zei: ‘Houd op met dat misbaar, want hij leeft!’

Hij ging weer naar boven, brak het brood en at. Daarna onderhield hij zich nog lange tijd met de leerlingen, tot het aanbreken van de ochtend. Toen vertrok hij. De leerlingen namen de jongeman, die weer tot leven was gekomen, met zich mee en voelden zich gesterkt door wat er was gebeurd
. Deze gebeurtenis doet sterk denken aan Elia, die de zoon van de weduwe van Sarefat tot leven mocht wekken. 1 Koningen 17: 20-22: Toen riep hij (Elia) de Heer aan en vroeg: ‘Heer, mijn God, waarom treft U juist deze weduwe, die mij gastvrijheid verleent, door haar zoon te doden?’ Hij strekte zich driemaal over het kind uit, daarbij de Heer aanroepend met de woorden: ‘Heer, mijn God, laat toch de levensadem in de borst van dit kind terugkeren.’ De Heer verhoorde Elia’s smeekbede: de levensadem keerde terug in de borst van het kind, en het leefde weer.

Afscheid van Efeze
Paulus wilde verder varen om met het Pinksterfeest weer in Jeruzalem te kunnen zijn. Onderweg legden ze aan in Milete. Paulus deed Efeze niet aan, dit zou teveel tijd kosten. Maar hij stuurde vanaf Milete iemand naar Efeze, om de oudsten van de gemeente aldaar te vragen naar Milete te komen. Paulus hield een emotionele toespraak tot de oudsten van Efeze, waarin hij hen opriep om voor de gemeente te zorgen en alert te zijn op de “wolven” die met valse leringen de kudde bedreigen. Hij riep op om waakzaam te blijven en zijn adviezen op te volgen. Het emotionele aspect was gelegen in zijn mededeling dat zij hem niet meer zouden zien. Handelingen 20: 36-38: Toen hij uitgesproken was, knielde hij samen met de aanwezigen neer om te bidden. Niemand kon zijn tranen bedwingen. Allen vielen ze Paulus om de hals en kusten hem. Ze waren vooral zo ontdaan omdat hij gezegd had dat ze hem niet terug zouden zien. Toen deden ze hem uitgeleide naar het schip.

Paulus zeilde door naar Tyrus in Syrië, waar het schip lading moest lossen. Hij bleef daar een week bij de geloofsgenoten. Die adviseerden hem om niet door te reizen naar Jeruzalem: de Heilige Geest had hen bekend gemaakt dat Paulus in Jeruzalem wat te wachten stond. Maar Paulus nam afscheid van hen en voer verder naar Ptolemaïs. Dat was tevens het eindpunt van de zeereis. Hij trok vandaar met zijn medewerkers door naar Caesarea, waar hij onderdak kreeg bij een zekere Filippus. Deze had vier ongetrouwde dochters die de gave van de profetie hadden.

Na enkele dagen kwam daar ook een profeet uit Judea, die Agabus heette. Hij profeteerde dat Paulus in Jeruzalem zou worden vastgebonden en aan de heidenen zou worden uitgeleverd. Handelingen 21: 12-14: Toen we dit hoorden, drongen wij en de gelovigen van Caesarea er bij Paulus op aan om niet naar Jeruzalem te reizen. Maar Paulus antwoordde: ‘Waarom proberen jullie me door je tranen te vermurwen? Ik ben niet alleen bereid me in Jeruzalem gevangen te laten nemen, maar ook om er te sterven omwille van de naam van de Heer Jezus.’ Omdat hij zich niet liet overreden, deden we er het zwijgen toe en zeiden alleen nog: ‘Laat gebeuren wat de Heer wil’.

Het vervolg staat op de pagina Paulus (6).
| Sites | Verantwoording | Sitemap |